Afgelopen week is er een hoofdstuk van de Anti-Counterfitting Trade Agreement gelekt. Dat is mooi voor geïnteresseerden in intellectueel eigendom, omdat het overleg tussen de vele participerende landen (o.a. de Verenigde Staten, de Europese Unie, Australië, Japan, etc.) in het geheim plaatsvindt. Het doel van deze overeenkomst is een internationale standaard te creëren die grootschalige inbreuk van het auteursrecht moet tegenhouden. Deze overeenkomst zal niet de wetgeving omtrent het intellectueel eigendom willen aanpassen, maar de manier waarop wij omgaan met de inbreuk ervan.

Nu een tipje van de sluier is opgelicht, krijgen wij een blik in hoe deze overeenkomst vorm krijgt en wat de mogelijke consequenties kunnen zijn voor onze maatschappij als de Europese Unie dit zal ondertekenen.

Een van de belangrijkste punten van dit gelekte hoofdstuk is het verantwoordelijk stellen van de internet service provider (ISP) voor de content die over hun netwerk heen en weer gaat. Dat wil zeggen dat de ISP verantwoordelijk is wanneer een internetgebruiker iets verspreidt waarvoor die de rechten niet heeft. ISP’s kunnen hier alleen onderuit komen als zij ‘voldoende’ maatregelen treffen om deze schendingen tegen te gaan, dit doet denken aan de bekende en controversiële Franse HADOPI wet.

Voor de internetgebruiker is deze overeenkomst problematisch omdat die volgens de overeenkomst moet gaan bewijzen dat hij geen inbreuk heeft gedaan op auteursrechtelijk beschermd materiaal wanneer er een klacht binnenkomt bij de ISP. Daarnaast stelt het hoofdstuk dat technologieën die toegang tot of gebruik van een werk reguleert niet omzeilt mag worden, dus ook niet voor legaal gebruik. Je kunt op YouTube bijvoorbeeld geen filmpjes downloaden, maar andere websites maken dit met hacks wel mogelijk. Wanneer ik een filmpje upload waar iedereen van mij alles mee mag doen, dan mag een andere gebruiker dat niet downloaden via een site die deze restrictie omzeilt, dat is verboden volgens deze overeenkomst. Beide kunnen grote gevolgen hebben voor de manier waarop internetgebruikers omgaan met content die ze tegenkomen, zeker wanneer zij dit voor persoonlijk gebruik doen.

In projecten waar Kennisland bij betrokken is, maken we veel gebruik van verschillende internettechnologieën om materiaal zo open mogelijk beschikbaar te maken voor het publiek, bijvoorbeeld in Creative Commons projecten, Europeana en Beelden voor de Toekomst. Met deze overeenkomst lopen internetgebruikers het gevaar dat er vele restricties worden gelegd op de manier waarop zij surfen. Ze kunnen daardoor terughoudender worden bij het beschikbaar maken, remixen en verspreiden van materiaal, wat niet goed is voor de creatieve industrie in het bijzonder en creativiteit in het algemeen.

Naast de opkomende privacyproblemen vind ik de zwart-witte restricties die hierdoor opgelegd kunnen worden problematisch. Auteurs/makers die kiezen voor open gelicenseerd materiaal krijgen door dit soort regels beperkingen opgelegd bij het gebruik van internettechnologieën (zoals YouTube) waar open content naast gesloten content geplaatst is, omdat gebruikers niet meer naar eigen inzicht mogen handelen met die diensten.

De discussie die nu op internet plaatsvindt over dit stuk is prachtig. Het laat zien dat wanneer iets door vele mensen gelezen wordt er diverse gearticuleerde reacties op komen die hun weerklank tot hoog in de regionen van de Europese Unie heeft. Zo is de Europese Commissie er nog niet zeker van dat zij deze kant op willen met de manier waarop Europa omgaat met de handhaving van intellectueel eigendom. Peter Hustinx (European Data protection supervisor) schreef zelfs een 20 pagina tellend stuk over (onder andere) dat intellectuele rechten nooit boven de fundamentele rechten van het individu mogen staan. Ik kijk vol verwachting uit naar hoe deze discussie zich zal ontplooien bij de verschillende intellectueel eigendom interessegroepen en binnen de Europese Commissie.

Update(2 maart 2010):

Gisteren is er nog een ACTA document gelekt, dit maal van de kant van de Europese Commissie. Het gelekte werkdocument geeft ons inzicht in hoe de verschillende grote partijen (o.a. de EU, Japan, de VS en Canada),  standpunten over onderdelen van de ACTA innemen. Met meer dan 40 pagina’s is het geen lichte kost, gelukkig verschijnen er al overal analyses op het web.

Update(3 maart 2010) :

Ook demissionair minister van Economische Zaken van der Hoeven heeft nu een publieke reactie over de ACTA gegeven. De grote golf van reacties op de gelekte documenten zullen hopelijk meer openheid geven over deze onderhandelingen.

Op 25 januari jl. presenteerde de OECD-onderwijsexpert Andreas Schleicher bij de Lisbon Council een nieuw en langverwacht rapport over de relatie tussen onderwijs en economische groei. De aansprekende titel is: The high cost of low educational performance. Kern van zijn verhaal: Door goed te investeren in onderwijs kunnen landen hun economische groei stimuleren. Wie dat nalaat, laat veel kansen op economische groei liggen. In het rapport zoekt en vindt hij bewijzen voor de stelling dat een hoger opleidingsniveau van een land leidt tot hogere economische groei. En hij rekent zelfs per land uit hoeveel precies. Schleicher presenteert als altijd weer interessante cijfers.

Wat levert goed onderwijs op?

Die vraag wilde Schleicher onderzoeken, het was een vraag die hem al jaren bezig hield. De opbrengsten van onderwijs zijn talrijk maar liggen in de toekomst, is een veelgehoorde stelling. Maar hoe dit te bewijzen? Daarom bestudeerde hij samen met een groep internationale statistici de relatie tussen de scores van landen op de zgn. PISA-studie en economische groei. De PISA-studie is een test voor leerlingen van 15 jaar op onder meer taal en rekenen die inimddels in alle OECD-landen wordt afgenomen. Zijn conclusie is helder: Landen met hogere scores op PISA, hebben ok een hogere economische groei. En ook de trend bevestigt dat. Een stijging in PISA-scores hangt samen met stijging in economische groei. Vervolgens rekent de OECD voor hoeveel dat landen kan opleveren. Enkele hoogtepunten in drie scenario’s:

·      Als alle OECD-landen hun eigen PISA-score met 25 punten weten te verhogen, levert dat het enorme bedrag van 114 biljoen dollar op gedurende het leven van de generatie geboren in 2010.  Voor Nederland is dat 1,8 biljoen dollar, oftewel 1.889 miljard dollar.

·      Als alle OECD-landen hun onderwijsprestaties naar het niveau van Finland zouden weten te krijgen, levert dat het enorme bedrag van 260 biljoen dollar op. De meeste potentie zit in de VS (100 biljoen dollar). Nederland scoort al goed op PISA en komt uit op 1,2 biljoen dollar.

·      Als de OECD-landen ervoor zorgen dat alle leerlingen een minimum PISA-score van 400 zouden halen, dan levert dat 193 biljoen dollar op. Nederland scoort gemiddeld goed op PISA maar heeft meer leerlingen die onder de 400-grens scoren. Daarom levert dit Nederland 1,5 biljoen dollar op.

Indrukwekkende cijfers op het eerste gezicht. Hierbij moet wel in aanmerking genomen worden dat deze cijfers berekend zijn over de opbrengsten in economische groei voor de generatie geboren in 2010. Oftewel, voor een periode van 80 jaar (2010 tot 2090). Als het jaarlijks wordt bekeken levert het voor Nederland volgens het rapport zo’n 0,3% tot 0,4% aan extra economische groei per jaar op, afhankelijk van het gekozen scenario. Met een huidig Nederlands BNP van 595 miljard euro (2008) is dat toch een potentieel van zo’n 2 miljard euro per jaar aan extra economische groei.

Investeren in goed onderwijs loont

Wat kunnen we van dit rapport leren? Op de eerste plaats toont het rapport aan dat investeren in goed onderwijs loont. Landen die niet zorgen voor goed onderwijs, laten enorme kansen op economische groei liggen.  En voor verreweg de meeste OECD-landen geldt dat verbetering van het onderwijs nog volop potentie biedt om extra economische groei te genereren. Behalve Finland dus. Dat is een gegeven dat zijn plek verdient in het huidige debat over de heroverwegingen en bezuiningen die de overheid de komende jaren wil doorvoeren.  Daarin is veel te veel aandacht voor de vraag op welke plekken er geld af kan. Maar om de staatsfinancien te verbeteren is het creeren van extra groei door beter onderwijs dus ook een kansrijke strategie. Met dit rapport legt de OECD daarvoor een statistisch onderbouwde basis en verschuift ze het debat over investeren in onderwijs. Ook in de Nederlandse context, met de recente motie-Hamer bijvoorbeeld, is die stellingname terug te zien en daarom is dit rapport zeer relevant.

Daarbij onderstreept Schleicher, ook in zijn presentatie, dat gewoonweg meer investeren in onderwijs dan zeker niet de enige factor is. Wat dit rapport vooral zo waardevol maakt is dat hier de uitkomsten van onderwijsbeleid worden gemeten. Hoe effectief is een onderwijssysteem van een land eigenlijk? En wat levert het op als je je onderwijssysteem verbeterd? Het rapport laat zien dat er enorme verschillende tussen landen zijn.

Daarbij mag ook gekeken worden naar de productiviteit van het huidige onderwijssysteem. Een land als bijvoorbeeld Finland besteedt minder geld aan onderwijs dan de VS, maar scoort veel beter. De juiste vervolgvraag is daarom hoe het onderwijssysteem te verbeteren, niet hoeveel te bezuinigen. Dit rapport bewijst dat er nog voldoende mogelijkheden voor verbetering zijn als naar de uitkomsten wordt gekeken en wat dat een land oplevert. De uitdaging die dit rapport op tafel legt is dat als landen hun onderwijs beter laten presteren daarmee meer economische groei kunnen realiseren. We moeten dus kijken hoe we meer uit het onderwijs kunnen halen, niet hoe erop te bezuinigen. En we weten nu dat gerichte extra investeringen hiervoor te rechtvaardigen zijn omdat het extra economische groei oplevert.

Wie de trends bekijkt, ziet dat veel landen hiermee bezig zijn. In het rapport wordt als beste voorbeeld Polen aangehaald. In zes jaar tijd heeft het de PISA-scores met 29 punten weten te verbeteren. Het rapport haalt verder landen als Finland, Canada en Korea aan die de afgelopen jaren  hun onderwijssysteem hebben hervormd en versterkt. Het rapport gaat niet in op welke verbeteringen het meeste opleveren, wellicht een idee voor een volgend onderzoek. Maar in zijn presentatie gaf Schleicher wel een aantal kenmerken van goed werkende onderwijssystemen. Klassegrootte lijkt geen rol te spelen. Maar leraren worden beter betaald en er wordt meer geinvesteerd in hun professionalisering. Tot slot, sociaal-economische afkomst en locatie van de school hebben veel minder invloed op de behaalde onderwijsprestaties en de verschillen in opleidingsniveau naar maatschappelijke positie zijn kleiner. Alledrie doordenkers voor het huidige debat in Nederland.

Hoe moeten we dit rapport nu zien?

Om te beginnen: als Schleicher spreekt, luisteren velen. Hij is bij de OECD verantwoordelijk voor de succesvolle PISA-studies en de auteur van de jaarlijkse OECD-rapporten Education at a Glance.  Er zijn weinig experts ter wereld die meer weten over de prestaties van landen op het gebied van onderwijs. Dit rapport toont aan dat goed onderwijs meer economische groei oplevert en dat er nog veel kansen op verbetering en dus meer groei liggen. Dat is zeker in de huidige tijd van heroverwegingen een niet te negeren boodschap.

Toch zijn op deze studie ook wel een paar punten van kritiek te geven. Allereerst, in het rapport geldt de wet van de grote getallen. 200 biljoen dollar klinkt natuurlijk enorm, maar is wel berekend voor de periode 2010-2090.  Het over zo’n lange termijn extrapoleren van cijfers levert zeer grote onzekerheden op. Verstandiger was geweest als het rapport zou aangeven wat dit voor de komende tien jaar zou kunnen opleveren. Daarmee zou het rapport ook aan waarde winnen in het debat over de noodzakelijke bezuinigingen en hervormingen die overheden de komende jaren moeten doorvoeren om de crisis te boven te komen. Ten tweede, als uitgangspunt voor onderwijssuscces wordt als basis de uitkomsten van de PISA-scores gehanteerd. Dit is een test voor 15-jarige leerlingen. Daarmee blijft de bijdrage van het hoger onderwijs grotendeels buiten schot. Terwijl het rendement daarvan een fors positief of negatief effect op de potentiele economische groei kan hebben. Dat is jammer en levert tevens het gevaar van al te snelle conclusies.

Maar zelfs als meegenomen wordt dat de cijfers op macro-niveau zijn en met onzekerheden zijn omgeven, wordt met dit rapport aangetoond dat er een duidelijke relatie is tussen goed onderwijs en economische groei. En dat dit zelfs te berekenen valt. Ongeacht hoeveel dat precies oplevert, die constatering is een doorbraak voor het debat en zal de komende maanden vast nog vaak worden aangehaald.

Daarom tot slot alvast een laatste tip voor onze Minister van Financien die momenteel bezig is de crisis te bestrijden. Op dezelfde dag dat Andreas Schleicher zijn OECD-rapport in Brussel presenteerde, hield Wouter Bos zijn Den Uyl-lezing in Amsterdam. Hij had het over de verhouding tussen markt en overheid en hoe hiernaar te kijken. Een probleem dat hij zag was het hanteren van een breed welvaartsbegrip, dat velen wensen maar zo moeilijk te berekenen is. Letterlijk zei hij: ‘Particuliere koopkracht en groei zijn relatief makkelijk te berekenen. De kosten van het financieren van een goed onderwijssysteem ook nog wel. En het negatieve effect van de belasting die daarvoor geheven moet worden ook. Maar nu juist de baten die zo’n onderwijsinvestering heeft voor ons allemaal weer niet.’ Wel, beste Wouter,  dat is niet meer waar. Het kan dus wel, met dank aan Andreas en zijn statistici van de OECD.

Kennisland is een van de eerste ondertekenaars van het vandaag door het Communia netwerk gepresenteerde Manifest voor het publieke domein. Met dit manifest willen de ondertekenaars (naast Kennisland zijn dat een aantal gezaghebbende onderzoeksinstellingen, wetenschappers, activisten en onderzoekers) op het belang van een functionerend publiek domein in het digitale tijdperk wijzen.

Het publieke domein, zoals gedefinieerd in het manifest, is het geheel van ons cultureel en intellectueel erfgoed waarop geen auteursrecht meer rust en dat daarom door iedereen zonder auteursrechtelijke restricties gebruikt mag worden. De publiek domein status van de overgrote meerderheid van de werken uit ons verleden zorgt ervoor dat iedereen van de inspanningen van eerdere generaties kan profiteren. Het publiek domein vormt zo een vrij toegankelijke bron van kennis die bij kan dragen aan innovatie en economische vooruitgang.

Door de technologische ontwikkelingen in de afgelopen decennia zijn werken in het publieke domein voor steeds meer mensen direct toegankelijk geworden. Via online platforms als de Wikimedia Commons of het commons project van Flickr zijn digitale reproducties van werken in het publieke domein in steeds grotere aantallen voor iedereen beschikbaar.

Tegelijkertijd proberen sommige instellingen, die werken in het publieke domein beheren, om zelf de controle over digitale reproducties van werken te houden waarvan het auteursrecht afgelopen is. Zij doen dit door digitale reproducties niet publiekelijk beschikbaar te stellen of door zelf auteursrecht in de reproducties te claimen. Hiermee belemmeren zijn toegang tot ons cultureel en intellectueel erfgoed.

Met het publiek domein-manifest willen de ondertekenaars een aantal basisprincipes voor de omgang met publiek domein-werken opstellen. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat alles wat in analoge vorm in het publieke domein valt, ook in de digitale omgeving zonder restricties beschikbaar dient te zijn. Hiernaast bevat het publiek domein-manifest een aantal aanbevelingen om het publiek domein te versterken en zo maatschappelijke toegang tot cultuur en kennis te bevorderen. Het volledige manifest is beschikbaar op www.publicdomainmanifesto.org waar ook de mogelijkheid bestaat om het manifest te ondertekenen.

Paul Keller is een van de auteurs van het Public Domain Manifesto.

Het zal niemand verbazen dat het thema ‘bureaucratische rompslomp’ als nummer één op de VK Onderwijsagenda prijkt. Ondanks dat door OCW de laatste jaren driftig geschrapt is in regels, klagen leerkrachten nog steeds volop over het ’gedoe’ waar ze mee te maken hebben naast het lesgeven.

Dus waar komt die rompslomp dan vandaan? Waarom is dit juist in het onderwijs zo’n taai vraagstuk? Is het gewoon zo dat leerkrachten te trots zijn om extra administratieve taken uit te voeren? Doen ze teveel een beroep op hun autonomie? Accepteren scholen niet dat zaken ook gewoon goed geregeld moeten zijn?

Mijn ervaring is dat leerkrachten best bereid zijn iets extra’s te doen en zich ook graag willen inzetten om de organisatie te verbeteren en te vernieuwen. Wat daarin wel essentieel is, is dat je leerkrachten tegemoet treedt met vertrouwen. Overmatige regels en controle leiden juist tot zeurende en weerbarstige leerkrachten, terwijl het geven van verantwoordelijkheid leidt tot initiatief en ondernemerschap. In ons programma Onderwijs Pioniers, waar leerkrachten gestimuleerd worden om met plannen te komen om hun school te verbeteren, loopt het storm met goede ideeën en is men zelfs bereid daar veel vrije tijd aan te besteden. Maar waar leerkrachten slecht tegen kunnen is om opgezadeld te worden met regels, beleid en innovaties die van bovenaf worden opgelegd. Dat wordt dan al heel snel ervaren als rompslomp.

Het is met rompslomp namelijk net zoiets als met rotzooi; het is vooral vervelend als het veroorzaakt wordt door een ander. Je eigen rommel hoort bij het leven. Waar gehakt wordt, vallen spaanders… dat ruim je wel weer op. Maar rotzooi van anderen veroorzaakt irritatie, stress en frustratie.

Ondanks dat scholen op afstand zijn gezet, meer zelfstandigheid hebben gekregen en de lumpsum financiering is ingevoerd, zijn het nu de adviesorganen, educatieve uitgevers en schoolbesturen die voor het overgrote deel bepalen hoe de taak van een individuele school en de taak van een leerkracht ingevuld dienen te worden. Geplaagd door zoveel ‘beterweters en voogdij’ trekt de leerkracht zich terug in de klas, voert instructies uit en biedt manmoedig maar mopperend alle rompslomp het hoofd. Uit recent onderzoek van de Kafkabrigade bleek dat meeste rompslomp op school afkomstig is van het eigen schoolbestuur, de gemeente en alles wat te maken heeft met zorgleerlingen. De leemte die Den Haag heeft achtergelaten lijkt moeiteloos te zijn opgevuld.

De hoeveelheid instanties om scholen heen die zich allen met een stukje van het onderwijsproces bezig houden, is bijna ontelbaar. De een innoveert, de ander toetst, en weer een ander maakt beleid. We maken een strikte scheiding tussen wie het weet en wie het niet weet, wie mag denken en wie mag doen, wie mag toetsen en wie moet verantwoorden. Zoals ook Everard van Kemenade aangeeft in zijn artikel in VK van 14 januari jl. vindt dit alles plaats in een sfeer van onderling wantrouwen. De bestuurder wantrouwt zijn leerkrachten, de pedagogische instellingen wantrouwen de scholen, de overheid wantrouwt de sector. En zo geven we -allen werkend vanuit de beste intenties- dit wantrouwen aan elkaar door.

Een aardig voorbeeld is de inspectie. Om de verantwoordingsplicht voor scholen te verkleinen, vraagt de inspectie tegenwoordig informatie aan het schoolbestuur. De inspectie komt nu nog maar eens in de vier jaar langs op de school, tenzij vaker nodig wordt geacht. Scholen leggen nu verantwoording af aan hun bestuur. Het resultaat hiervan is echter dat de verantwoordingslast alleen maar is verschoven. De besturen vragen nu van scholen zich te verantwoorden in jaarplannen, verslagen en allerhande managementinformatie. De rompslomp komt op een andere plek weer naar boven. Bovendien voelen scholen zich intussen niet erkend als professionele organisatie, aangezien ze alleen op papier beoordeeld worden en niet zelf met de inspectie over hun eigen resultaten kunnen overleggen.

Om uit dit patroon van ‘geïnstitutionaliseerd wantrouwen’ te breken moeten we het onderliggende probleem aanpakken en scholen tegemoet treden als professionele organisaties en leerkrachten als professionals waar we vertrouwen in hebben. Scholen moeten zelf in staat zijn om antwoorden te bieden op de vraagstukken die op hen afkomen. Met leerkrachten die zich niet alleen bezighouden met hun eigen lessen, maar die ook een stem hebben in de organisatie van het onderwijs.

Dit vergt wel iets van scholen en van leerkrachten. Namelijk dat ze leren om beter met elkaar samen te werken, hun handelen aan zelfanalyse bloot te stellen en hun organisatie effectief vorm te geven om zo hun eigen rompslomp tot een minimum te beperken.

Chris Sigaloff, vicevoorzitter van stichting Nederland Kennisland

Afgelopen week was ik te gast op Dugnadssamfunnet 2.0 in Oslo om een presentatie over Digitale Pioniers te geven. Een door het Noorse Ministerie van Binnenlandse Zaken georganiseerde workshop over innovatie en participatie met digitale tools. De Noorse overheid organiseert volgend jaar een competitie welke projecten gaat ondersteunen, die gebruik maken van sociale media. Met de workshops werd input verzameld voor de opzet van de wedstrijd.

Catherine de Brisis sprak namens het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de politieke ICT-agenda en de voornemens van de overheid. Hoewel de presentatie helemaal in het Noors was, leken de kernpunten van deze agenda te gaan over e-participatie, e-government, creativiteit en openheid. Goede zaak dus! De analyse is er, maar volgens de Brisis was het nu ook tijd voor “Walk the Talk” oftewel aan de slag gaan.

Hakon Wium Lie (CTO van Opera), de man die CSS heeft uitgevonden, verzorgde de openingsspeech. Simon Dickson (Puffbox.com), adviseur voor verschillende Engelse overheden, gaf in zijn presentatie een update over hoe de Britse overheid met openheid omgaat en recente voorbeelden zoals de website van Downingstreet 10 en de impact van de onbekende vrouw van de premier, Sarah Brown die aan het twitteren sloeg. Olav Anders Overbro, journalist en editor van Vox Publica, vertelde over open data in Noorwegen en hoever de overheid daar mee is. Hoewel ook weer in het Noors, was het duidelijk dat Olav ervoor strijdt om dit hoger op de agenda’s te krijgen!

Het was erg leuk om over Digitale Pioniers te vertellen in dit gezelschap. Gestart in 2002 werd het toch wel gezien als voorloper en wegbereider van projecten waarvan er in Noorwegen nog niet genoeg zijn. De workshops maakten veel energie vrij bij alle aanwezigen. Hopelijk was het een goede zet in de rug to “Walk the Talk”…

Sinds Premier Balkenende afgelopen week donderdagavond (voor zijn beurt) bekend maakte dat Neelie Kroes in de nieuwe Europese Commissie verantwoordelijk zal zijn voor het ‘Digital Europa’ portfolio is er een merkwaardige discussie gaande.

In de discussie of Kroes hiermee nu wel of niet een ‘zwaar’ portfolio bekleedt, wordt verbazingwekkend weinig naar de uitdagingen gekeken die zich voor Europa op het gebied van digitalisering, media en kennisontwikkeling in de komende jaren voordoen. Wie dat wel doet, komt snel tot de conclusie dat Neelie Kroes een van de zwaarste portfolio’s van de nieuwe commissie op haar bureau gekregen heeft.

Kroes zal in de komende vijf jaar waken over de randvoorwaarden die bepalen of Europa ook in het digitale domein op evenredige voet kan opereren met andere economische mogendheden. ‘Kroes moet Europa gaan ‘vergooglen” zoals het NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag op de voorpagina schreef. In haar interview met NRC maakt Kroes duidelijk dat zij Europa’s achterstand op het gebied van online dienstverlening wijt aan een overvloed aan regels die ondernemers onnodig belemmeren. Hiermee heeft zij de kern van het probleem echter nog niet te pakken.

Een van de meest urgente uitdagingen voor de nieuwe commissaris voor Digital Europa zal de hervorming van de Europese copyrightwetgeving zijn. Het huidige stelsel is nog geworteld in de predigitale 20e eeuw en kraakt inmiddels aan alle kanten. Hervorming van het auteursrecht is alleen op Europees niveau mogelijk en moet de basis vormen van elke strategie die beoogt Europa ook in de digitale economie in de eerste divisie te laten spelen.

Vivian Reding, de voorganger van Neelie Kroes als Commisioner voor de Informatie Samenleving heeft dit onderwerp tegen het einde van haar ambtstermijn op de agenda gezet. In juli gaf zij tegen de achtergrond van het debat over het Google books settlement en de defensieve houding van de Europese regeringen en uitgevers aan dat het tijd is om de Europese auteursrechtelijke kaders te vernieuwen. Volgens Reding is de situatie duidelijk: ‘Als we niet binnen korte termijn de Europese copyrightregelgeving inzake verweesde werken en bibliotheken herzien, dan zal de digitalisering en het ontwikkelen van aantrekkelijke content niet in Europa plaatsvinden maar aan de andere kant van de Atlantische Oceaan’.

Inmiddels is de discussie over het Google books settlement verder gevorderd en ligt er een tweede voorstel voor schikking bij de New Yorkse rechtbank. Een van de meest belangrijke aanpassingen ten opzichte van de eerste versie is het feit dat Google alleen nog boeken online beschikbaar gaat stellen die in de VS, Canada, Engeland of Australië uitgegeven zijn. Boeken uit de rest van de wereld vallen zo buiten Googles poging om toegang tot ons literair en wetenschappelijk lange termijngeheugen te bieden.

Erger nog, Google zal alleen een klein deel van de gedigitaliseerde boeken aan internetgebruikers in Europa aanbieden. Waar Amerikanen straks online toegang hebben tot het merendeel van alle in Amerika verschenen boeken, zullen Europese internetgebruikers nog lang op een vergelijkbare dienst moeten wachten. Om een dergelijke dienst ook in Europa te ontwikkelen zullen de initiatiefnemers in 27 lidstaten afspraken moeten maken met een veel groter aantal aan belanghebbenden. De kans dat deze op korte termijn ook in de kleinere lidstaten tot stand komen is echter relatief klein, omdat het voor commerciële partijen simpelweg niet rendeert om voor elke even kleine nationale markt aparte afspraken te maken.

Het is daarom van groot belang dat er Europese regels komen die ook voor digitale content een Europese binnenmarkt mogelijk maken. Dit is - zeker gezien de nationaal georganiseerde belangen van de auteurs - een enorme uitdaging en het is te hopen dat ‘Steely Neelie’ hier dezelfde daadkracht vertoont als op haar oude post als mededingingscommissaris.

Kroes zou er verder goed aan doen om zich net zo als haar voorganger in de eisen van de Europese consumenten te oriënteren. Volgens Reding zal ‘alleen een moderne set van consumentvriendelijke regels ervoor zorgen dat Europa’s content een belangrijke rol kan spelen in de digitaliseringsinspanningen die wereldwijd gaande zijn’.

Haar inspanningen voor de vrije keuze van consumenten in haar laatste functie geven alle reden om te hopen dat Kroes hiervoor de juiste vrouw op de juiste plek is. Hoe zwaar haar nieuwe portfolio werkelijk is, zal in de komende jaren moeten blijken. Maar het is in ieder geval een post die vooruitblikken en daadkracht eist.

Afgelopen week had ik de eer om deel te nemen aan het tweede deel van Pioneers! in New York. Als staartje van 400 jaar Hudson Amsterdam-New York, gingen 20 Amsterdammers naar the Big Apple. 5 bomvolle, hyperinspirerende dagen. Aan de hand van sprekers en workshops werd gesproken over sociaal ondernemerschap en het creëren van verandering.

Een onderdeel uit het programma wil ik er specifiek uitpikken. Een rondleiding door John Mundy, project manager voor de Majora Carter Group door Hunts Point in de South-Bronx. Hunts Points is een van de armste, meest vervuilde gebieden in New York, waar een groot deel van het afval van New York wordt verwerkt, industrie naast woonhuizen staan en midden door de buurt een aanvoerroute loopt waarover vrachtwagens scheuren. In deze buurt richtte Majora Carter in augustus 2001 de organisatie Sustainable South Bronx (SSBx) op en stichtte ze aan de Hudson het Hunt’s Point Riverside Park .

Dit park werd meer dan alleen een pad met wat groen dat leidde naar de rivier de Hudson. Het symboliseerde hoop voor de buurt. De locatie functioneerde eerder als illegale vuilstortplaats, maar werd nu een veilige plek waar de buurt kon samenkomen, waar culturele activiteiten georganiseerd werden, waar jonge mensen die in de hele buurt geen groen hadden konden kennismaken met groen. Daarnaast zijn er nieuwe zogenaamde “green-collar” banen gecreëerd om meer parken te bouwen en betekende de bouw van het park de start van de South Bronx greenway movement, die als doel heeft groene ruimtes in buurten te scheppen.

Op veel manieren een mooi praktijkvoorbeeld: Een mooi voorbeeld waar duidelijk wordt dat de grote uitdagingen van deze tijd vele kanten kennen en niet slechts bestaan uit één probleem. Armoede, onveiligheid, vervuiling hebben in dit geval allen met elkaar te maken. Maar dergelijke veelzijdige problemen kunnen kennelijk ook met relatief simpele interventies leiden tot brede impact: sociale cohesie, gevoel van veiligheid, nieuwe werkmogelijkheden en de start van een beweging en vooral … hoop en energie om de eigen community te investeren.

Inmiddels heeft Majora de Majora Carter Group opgericht en is ze op commerciële basis werkzaam aan verschillende projecten door het hele land.
Bekijk hier de slideshow van het aanleggen van het park.

Wat een dag was het vrijdag. Ik had het geluk aanwezig te mogen zijn bij TEDxAmsterdam. Van geluk mag je spreken als ruim 4.000 mensen naar binnen willen en er maar plek is voor 450. Dit event was dan ook niet zomaar iets. Het was de langverwachte, eerste lokale editie van de TED-conferentie die ieder jaar in Long Beach, California plaats heeft. De presentaties die daar gegeven worden staan online en trekken miljoenen kijkers. TEd staat voor Technology, Entertainment and Design, maar het motto is steeds meer geworden: Ideas worth spreading.  Het idee achter de conferentie is zo eenvoudig als krachtig: nodig mensen met vernieuwende ideeen of projecten maar die echt uitstekend kunnen presenteren uit en geef ze 18 minuten het podium. Wat je krijgt is een mix aan grootheden, wetenschappers, kunstenaars en ondernemers die de zaal en miljoenen internetters inspireren. Daarbij valt iedere keer op hoe optimistisch de meeste sprekers zijn. Met vertrouwen en lef wordt hier naar de toekomst gekeken.

De lat lag dus wel hoog voor deze lokale editie en vandaar de enorme belangstelling. Al weken zoemde het rond. Via het web en op allerlei plekken in het land kon de conferentie worden gevolgd, en dat werd het ook. Maar place to be was het Koninklijk Instituut voor de Tropen en onder de aanwezigen had zich bij binnenkomst dan ook een licht besmuikt en nerveus gevoel meester gemaakt. Dat wij hierbij mogen zijn, en wat gaat het brengen? Het moet gezegd, de torenhoge verwachtingen zijn meer dan waar gemaakt. En dat is knap. De kwaliteit van de sprekers, de aankleding en vooral de sfeer waren van een niveau dat je niet vaak in Nederland ziet. Natuurlijk waren er betere en mindere presentaties, maar vaak was de zaal ‘electrified’.

De dag begon met een steengoede opening van dagvoorzitter Joris Luyendijk, die ook de rest van de dag uitblonk. Daarna kwam een helaas zwaar teleurstellende Job Cohen, of zoals Joris aankondigde: een man die zei Job Cohen te zijn. Misschien was dat geen grap, want ik heb Job echt beter gezien. Gelukkig werd het direct erna goed gemaakt door een zeer betrokken en inspirerende presentatie van staatssecretaris Frans Timmermans over Angst en Jack Sparrow, de piraat uit de Cariben. In dat eerste blok verder nog een prachtig verhaal van Christien Meindertsma over welke producten er allemaal van het varken worden gemaakt. Ook Mabel van Oranje had een innemend betoog over wat er komt kijken bij het werken aan vernieuwing in de samenleving als ngo. In het tweede blok nam hoogleraar Louise Vet het publiek voor haar in met een overtuigend en hartverwarmende lezing over de noodzaak om echt tot een duurzame, circulaire economie over te gaan. Gerhard Knies vertelde (zij het wat saai) over een mooi megaproject om 1% van alle woestijnen met zonnepanelen te bedekken en zo de helft van ’s wereld energiebehoefte te dekken. Kosten om het los te trekken: een luttele 40 miljard euro. That’s about the costs of saving one bank, aldus Knies ironisch. Gary Carter, COO Fremantle Media maar wonend in Amsterdam had een persoonlijk verhaal waarin hij liet zien hoe hedendaagse media gericht is op doelgroepen maar daardoor ook mensen uitgesloten worden. Hij maakte zijn punt, maar in mijn ogen ging hij over the top en werd het bijna zelfbevlekking. Hij gebruikte zijn ‘18 minutes of fame’ tot ver voorbij het maximum.

En dit was slechts een selectie van het ochtendprogramma. Toen was het lunch, waar ik aanschoof bij een KPN-sessie met Nico Baken en Arnold Heertje. Mooie kans om meteen even me Alexander Rinnooy Kan bij te praten. De middag begon met Kevin Kelly, oprichter van WIRED. Een grootheid pur sang, meermaals ook op TED gesproken. De zaal keek ernaar uit. Hij sprak over technologie, wat het is en wat het wil. Een mooi verhaal, maar de verwachting werd niet waar gemaakt helaas. Aansluitend een tech demo van Claire Boonstra, CEO van Layar. Een Amsterdams bedrijf dat al in de WIRED stond en een grote toekomst tegemoet gaat. Vervolgens kwam fotograaf Hans Aarsman die een bijzonder grappige presentatie had over beeld en fotografie. De Wageningse hoogleraar Marcel Dick overtuigde ons waarom het eten van insecten nodig en lekker is. In de pauze stonden de bonbons met insecten klaar.

Toen kwam het beste blok van de dag: Het begon met het negentienjarige jazztalent uit Osdorp, Karsu Donmez, die enkele nummers zong. Dat wordt een hele grote ster. Daarna iemand die dat al is, KNAW-president Robbert Dijkgraaf die in zijn 18 minuten op grappige en verbazingwekkend heldere wijze het universum wist uit te leggen. Einstein, Planck, Galileo en vele formules kwamen voorbij. Maar iedereen zat ademloos te luisteren en hoe vaak zie je dat bij een natuurkundige. Daarna kwam Mark Kamau, een jongen uit de sloppenwijken van Nairobi die vertelde hoe hij eraan is ontvlucht en nu een school draait onder naam de Nairobits waar kinderen met ict leren omgaan. Een heel ontroerend verhaal en ik was bijzonder trots omdat dit project mogelijk gemaakt is door ex-KL’er Hester Ezra van Butterfly Works. Hierna betrad muzikant en componist Merlijn Twaalfhoven het podium die liet zien hoe kunst in de samenleving kan staan, of soms ook niet. Als afsluiting was er de zeer humoristische, energieke en vooral erg mooie presentatie van de jonge Deense architect Bjarke Ingels. Voorheen een werknemer bij Rem Koolhaas maar nu met zijn eigen bureau hard bezig de grote Hollandse meester voorbij te streven.

Wow, even bijkomen. Gelukkig was het tijd voor het diner. Maar zelfs daar ging het door, want in de Mauritszaal zijn 3 minuten-presentaties van deelnemers, waaronder mensen als Martijn Aslander. In de avond was het wat rustiger, maar zeker niet leeg. We gingen nog door tot na negen uur. Eerst kwam Bruno Gassianni van TED Europe om even wat over TED en hun plannen te vertellen. Toen besteeg Hollands eerste astronaut Wubbo Ockels het podium die een radicaal voorstel deed, een inzicht dat hij na zijn ruimtereis kreeg: Tijd is een door de mens  gecreëerde eenheid die moet worden weggelaten als we naar de ruimte kijken. En wie weet wat we dan zien. De avond werd afgesloten met de winnaars van de TEDxChallenges en Tony Disanto, president programming and development bij MTV die net uit NEW York was gekomen om te vertellen over storytelling in het digitale tijdperk.

Toen was het over. Het voelde te plotseling. Was het echt afgelopen? De organisatoren kregen een lange, terechte staande ovatie. De sfeer was echt fantastisch. There is optimism in the air, zei dagvoorzitter Joris Luyendijk. Oprecht enthousiast, met vertrouwen in de toekomst en zelfs na ruim 12 uur presentaties honger naar meer. In Hotel Arena ging het feestje nog even door…

Bekijk de website van TEDxAmsterdam voor films en foto’s van de dag.

Op de radio in de auto hoorde ik een reclame van de Rijksoverheid voor een nieuwe website: antwoordvoorbedrijven.nl. Op die site - en bijbehorend telefoonnummer - kunnen ondernemers terecht met al hun vragen aan de overheid. Op zich een goed initiatief, ondernemers stranden vaak in alle procedures. Maar de slogan in het spotje schoot me in het verkeerde keelgat: “De overheid voor ondernemers: wegwijs in regels, vergunningen en subsidies.” Antwoord voor Bedrijven wordt gepresenteerd als het ei van columbus. De Rijksoverheid helpt ondernemers nu door alle ellende heen. Ellende waar ze zelf grotendeels debet aan zijn!

Natuurlijk is zo’n informatiepunt als tijdelijke oplossing nuttig. Voordat de procedures veranderd zijn, zijn er al weer talloze ondernemers gestrand. De vraag is alleen wel of echt alle informatie die nodig is via de website gevonden kan worden. Kun je er als Horeca-ondernemer in spé via Antwoord voor Bedrijven achterkomen dat je aan BumaStemra toestemming moet vragen om muziek te draaien in je zaak? Bijvoorbeeld. Maar goed, er van uitgaande dat Antwoord voor Bedrijven behoorlijk compleet is: kan er niet beter geïnvesteerd worden in het ontrafelen van de wirwar van regels, processen en procedures dan in dit soort reclamespotjes? Volgens mij is het tijd voor oplossen in plaats van door de ellende heen loodsen.

Een artikel in het FD van gisteren wakkerde mijn irritatie nog een beetje aan. Het CBS heeft een internationale vergelijking gemaakt van het aantal procedures en de tijd (in dagen, niet de doorlooptijd) die het kost om een onderneming op te zetten. Qua aantal dagen scoort NL redelijk met 10 dagen. We leggen het wel - weer - af tegen de Belgen, waar het inmiddels nog maar 4 dagen kost om een zaak te openen. En in Australië kost het zelfs maar twee dagen. Qua aantal prcedures scoort Nederland minder feestelijk. Dat zijn er zes. Alleen Japan, Duitsland en Spanje kennen nog meer procedures.

Dit zijn geen dramatische scores. Maar wat me wel opviel is dat er sinds 2003, in tegenstelling tot in andere landen, in Nederland maar heel weinig veranderd is. In Frankrijk is in die tijd het aantal dagen teruggebracht van 41 naar 7. In Hongarije zelfs van 52 naar 5. In Nederland is het aantal procedures gelijkgebleven. En ja, het aantal dagen is wel gezakt: van 11 naar 10. Ik vraag me dan af of we niet een groter verschil zouden kunnen maken. Zeker als je ziet dat het ook in 2 of 4 dagen kan in andere landen. En dat er al initiatieven voor stroomlijning bestaan, zoals HoReCa1.

Kortom, ik zou zeggen: gidsen door alle ellende heen oké, maar zeker ook ontrafelen!

Wie ondanks mijn verhaal toch nieuwsgierig is geworden, zie antwoordvoorbedrijven.nl

Op  8 januari 2010 verleent De Universiteit van Amsterdam een eredoctoraat aan de Amerikaanse rechtsgeleerde Lawrence Lessig. Lessig is een van de meest invloedrijke geleerden op het gebied van het informatierecht en actief voorvechter van informationele en culturele vrijheden op het internet.

Hij constateerde al vroeg dat er een fundamenteel conflict tussen het traditionele auteursrecht en de door het internet geboden mogelijkheden bestaat. Hij was verbonden aan Stanford Law School en oprichter van het Centre for Internet and Society aldaar. Momenteel is hij directeur van het Edward J. Safra Foundation Center for Ethics aan
Harvard University en hoogleraar op de Harvard Law School. Maar hij is altijd meer dan een wetenschapper geweest. In 2004 richtte hij het Creative Commons project op, wellicht zijn grootste bijdrage waarvoor hij nu terecht wordt geëerd.

Met de Creative Commons licenties worden auteurs, kunstenaars, wetenschappers, docenten en alle andere creatieve makers in staat gesteld om op een flexibele manier met hun auteursrechten om te gaan en hun werken voor bepaalde vormen van hergebruik vrij te geven, zonder dat de bescherming die het auteursrecht hen biedt, wordt opgegeven. De Creative Commons licenties zijn wereldwijd de standaard voor open-contentlicenties en vormen een belangrijke bouwsteen voor projecten als de online encyclopedie Wikipedia en praktijken als open access publishing.

Nederland Kennisland heeft in 2004 in samenwerking met het instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam (van Lessig’s ere-promotor Bernt Hugenholtz) en Waag Society de Creative Commons Licenties in Nederland geïntroduceerd. Dat was het begin van een inspirerende samenwerking en contact met Lessig, die regelmatig in Nederland is geweest.

In samenwerking met Lawrence Lessig zijn in Nederland een aantal doorbraken voor Creative Commons gerealiseerd. Zo is in Augustus 2007 wereldwijd de eerste samenwerking tussen Creative Commons en een collectieve beheerorganisatie (Buma/Stemra) van start gegaan, waarin de combinatie van traditioneel rechtenbeheer en open content verspreiding van muziek onderzocht wordt. Daarnaast wordt in december 2009 het open onderwijs platform Wikiwijs gelanceerd dat gebruikmaakt van de Creative Commons licenties om zeker te stellen dat onderwijsmateriaal vrij hergebruikt kan worden. Ook dat is wereldwijd een doorbraak. Nederland is de afgelopen jaren een internationale voorloper geworden met Creative Commons en dus is het meer dan terecht dat hij nu juist hier eredoctor wordt.

Dat Lessig nu, 10 jaar na het verschijnen van zijn eerste boek ‘Code and Other Laws of Cyberspace‘, zijn eredoctoraat ontvangt kan ook als een commentaar op de vastgelopen situatie rondom het auteursrecht worden gezien: 15 jaar na de doorbraak van internet als het primaire communicatiemedium heeft er geen fundamentele herziening van het auteursrecht plaatsgevonden, en dreigt het auteursrecht steeds meer een rem voor de maatschappelijke ontwikkeling te worden. De kranten staan er vol van, zoals onlangs weer na een rel over de nieuwe vergoeding van Buma/Stemra. Culturele erfgoedinstellingen, die de technische drempels voor het digitaliseren van erfgoed al lang overwonnen hebben, zijn vanwege auteursrechtelijke belemmeringen niet in staat gedigitaliseerd erfgoed online aan te bieden. Individuele internetgebruikers worden door auteursrechtelijke regels die bedoeld waren om transacties tussen commerciële bedrijven te regelen in hun culturele participatie gehinderd en tegelijkertijd slaagt het auteursrecht er steeds minder in om een solide inkomstenbasis voor makers te bieden. Wetenschappers willen graag hun kennis openbaar beschikbaar maken, zoals het NWO deze week publiekelijk stelde, maar daarvoor is een oplossing in het auteursrecht nodig.

Lessig weet als geen ander dat er in de huidige samenleving een doorbraak op auteursrecht nodig is, en weet dat als de beste te verwoorden. Ik raad iedereen aan via YouTube eens op zijn naam te zoeken en te genieten van zijn lezingen, onder meer op de TED-conferentie.

Aanwezigen bij de uitreiking zullen vast genieten. Maar hij is gelukkig niet meer de enige. De signalen uit de samenleving zijn inmiddels ook in Den Haag en Brussel doorgedrongen. De komende jaren zal het debat over het auteursrecht nog hevig woeden, is mijn verwachting. Het is dan ook te hopen dat het eredoctoraat voor Lawrence Lessig een startsein voor een ingrijpende herziening van ons auteursrechtenstelsel is. Het academische werk van Professor Lessig kan een belangrijke bijdrage aan een dergelijke herpositionering bieden.

Paul Keller
(projectleider Creative Commons Nederland bij KL)